Duurzame Energie

DUURZAME ENERGIE IN NEDERLAND.

Nederland heeft zich op Europees niveau gecommitteerd dat in 2020 14% van zijn energieverbruik uit hernieuwbare bronnen komt. Dit percentage lag op 4,5% in 2013. Wanneer men slechts naar de elektriciteitsproductie kijkt lag het percentage duurzaam op 12,2%. In het begin van de economische crisis werd een grote toename van het percentage duurzame energie waargenomen, doordat de totale energieconsumptie was verminderd en vooral kolencentrales hun productie verminderden. Volgens TNO en de Universiteit Utrecht heeft de Nederlandse regering decennialang ingezet op de groei van de fossiele sector, waardoor de Nederlandse economie in een kwetsbare positie is gekomen. Er zijn aan het begin van de 21e eeuw enkele stappen gezet voor een hernieuwbare energiemix, zoals het gebruik van biobrandstoffen in traditionele kolencentrales. Andere technieken zoals wind-, water- en zonne-energie worden nog weinig gebruikt. Sinds enkele jaren wordt windenergie vaker geïnstalleerd in Nederland, omdat de productiekosten van windmolens zijn gekelderd door grote investeringen in DUITSLAND en in mindere mate Denemarken. Ook de kosten van zonne-energie daalden in deze periode sterk.

Overheidsbeleid.

Om hernieuwbare energie te stimuleren in Nederland heeft de overheid sinds 2011 de Stimuleringsregeling duurzame energieproductie (SDE+) ingesteld. Deze wordt gefinancierd uit een opslag die geheven wordt op het verbruik van elektriciteit en aardgas (naast de energiebelasting).

De productie van duurzaam opgewekte elektriciteit of groene stroom groeit in Nederland zeer langzaam in vergelijking met andere Europese landen. Een oorzaak hiervan is continue veranderde wetgeving op het gebied van energie, bijvoorbeeld de tijdelijke afschaffing van subsidies na het kabinet Paars II en de afhankelijkheid van de Nederlandse overheid op gasbaten en de traditionele olie industrie in de Rotterdamse haven. De Nederlandse overheid haalt zo’n 20% van haar inkomsten uit de fossiele sector en sectoren die afhankelijk zijn van de fossiele sector, en heeft dus belang bij het voortbestaan hiervan. Een andere factor is van geologische aard; Nederland heeft niet veel zon, weinig hoogteverschillen (waterkracht), weinig tektonische activiteit (aardwarmte) en ook ruimte om windmolens op land te plaatsen is beperkt.

Na decennia van wispelturig duurzaam beleid is Nederland in 2013 afgezakt tot een van de ernstigste vervuilers, en volgens Germanwatch het minst duurzame land van de Europese Unie. In 2015 werden in Nederland nieuwe kolencentrales in dienst genomen, waardoor in de eerste helft van dit jaar een nationaal record aan kolen werd verstookt. Daar veel gemeenten en provincies enkel goedkope grijze stroom afnemen zijn meerdere duurzame energiemaatschappijen gestopt met het inschrijven voor aanbestedingen. Als gevolg van de ontwikkelingen is het percentage duurzaam geproduceerde energie in 2015 gedaald.Wegens een rechtszaak van burgerbeweging Urgenda is de Nederlandse overheid gehouden aan de doelstelling van minimaal 25% duurzame productie in 2020. De regering Rutte II had haar streefwaarde juist naar beneden bijgesteld naar 14%: het absolute minimum dat door de Europese Unie wordt geëist. Ook dit percentage zou echter niet meer haalbaar zijn. Om belasting te kunnen heffen op duurzaam geproduceerde energie is minister Kamp in 2015 gestart met de landelijke uitrol van ‘slimme’ meters. Deze meters kunnen niet terug lopen, waardoor eigenaren van zonnepanelen wegens het uitblijven van een teruglever vergoeding tot wel 80% van hun inkomsten kwijtraken. 

Experiment lokale energieprojecten.

De wet- en regelgeving ging tot en met 2014 uit van grootschalige en centrale opwekking van energie. Vanaf 2015 wordt de wetgeving versoepeld voor tien kleine (tot maximaal 500 aansluitingen) en tien grote (tot maximaal tienduizend aansluitingen) projecten per jaar. Op die manier wil de overheid lokale initiatieven voor opwekking van duurzame energie stimuleren.